(Dit artikel verscheen in februari 2026 in Hard Gras 166)

Alle vaten in het supportershome waren leeg, we werden als laatste gasten vriendelijk verzocht naar buiten te gaan. Omdat de kroegen in Alkmaar al gesloten waren bleven mensen die zachte nacht in mei bij de uitgang hangen, in de open hoek van het oude stadion, onder het scorebord en aan de rand van het veld waarop nooit meer gevoetbald zou worden.

Dit voorjaar is het twintig jaar geleden. Barry van Galen had nog geen zin om te vertrekken en ging met Michael Buskermolen achter de hoofdtribune kijken of de businessclub nog open was. Het was een uur of vijf na het einde van hun afscheidswedstrijd. Van Galen was gestopt na vijftien seizoenen betaald voetbal, waarvan negen bij AZ. Buskermolen speelde 399 profwedstrijden en nooit in een ander shirt dan het onze. Ze hadden huilend op het veld gestaan, ontroerd door het eerbetoon van het publiek en van de twee teams die vriendschappelijk een balletje hadden getrapt, bestaande uit ploeggenoten en AZ-iconen. Van Galen had eerder die morgen tegen de media gezegd: “Het is alsof je een bruiloft en een begrafenis op een dag hebt. Het wordt vast mooi, maar het licht gaat straks wel echt uit.”

Van Galen is nog altijd mijn favoriet van alle spelers die ik ooit in een AZ-shirt zag. Zijn spel was bij vlagen weergaloos, hij kon ieder moment bevangen worden door genialiteit. Zijn ontwapenend eerlijke interviews droegen ook bij aan de genegenheid die ik voor hem voel. Aan het eind van het tijdperk van Co Adriaanse werd aangekondigd dat Louis van Gaal de nieuwe trainer werd. Van Galen werd om een reactie gevraagd op de uitspraak van zijn toekomstige coach dat AZ onder hem misschien iets bedachtzamer zou gaan spelen, iets meer vanuit een strak georganiseerde verdediging. “Verdedigen? Daarvoor zit ik niet op voetbal,” zei hij.

Barry van Galen was dan misschien wel prof en had zelfs het Oranje-shirt gedragen, hij zat gewoon nog op voetbal. En voetballen, dat was aanvallen. Daarom bloeide hij ook zo op onder Adriaanse, die vanaf de eerste seconde druk op de tegenstander zette. Niet breien tot je de perfecte ruimte ziet, maar de trekker overhalen als dat kan. Dat hoefde je geen twee keer te zeggen tegen de linkspoot die het ook vanaf 25 meter graag probeerde – en niet zelden met succes.

Op goeie dagen vloeiden magische krachten door zijn voeten. Op mindere dagen wilde er aan de andere kant van z’n lijf wel eens kortsluiting ontstaan. Als het op het veld niet liep, bijvoorbeeld omdat er met te weinig inzet werd gespeeld, en hij zichtbaar gefrustreerd raakte sprongen tegenstanders extra hoog op om zijn giftige tackles te ontwijken. Soms was het toch niet hoog genoeg en kon hij met rood vertrekken, vloekend en vechtend tegen de tranen. Op de tribunes voelden we met hem mee, terwijl de rest van Nederland hem op die momenten haatte. We herkenden onszelf ook in zijn zwakte. Ik ben geen verzamelaar van relikwieën, maar ik heb thuis nog wel het shirt dat hij mij ooit gaf, waarin hij in de Kuip zijn eeuwige nemesis Roelof Luinge tijdens een oploopje een stomp in de maag had gegeven. Nee, mag niet, schande, maar kom op man, Roelof fucking Luinge, wat een ambetante zuignap was dat.

Van Galen en Buskermolen zagen dat de businessclub – een aantal geschakelde bouwketen tussen het stadion en het trainingsveld – nog open was. Tegen het groepje supporters dat was meegelopen zei iemand dat ze maar even bij de nooddeur moesten wachten. Twee minuten later was iedereen binnen en werd er gedanst en meegezongen met Wolter Kroes.

Het was bepaald niet de eerste keer dat Van Galen na een wedstrijd op de dansvloer stond. Een jaar eerder wonnen we tot ieders verbazing de eerste kwartfinalewedstrijd in de UEFA Cup tegen Villarreal in stadion El Madrigal. De indrukwekkende Submarino Amarillo met onder meer Juan Román Riquelme, al 22 Europese thuiswedstrijden ongeslagen, waarvan de laatste 17 zonder tegendoelpunt, bleef gezonken achter na goals van Danny Landzaat en Robin Nelisse en een door Henk Timmer gestopte penalty. Wij hadden ruim twee decennia geen Europees voetbal gespeeld en hadden geen idee hoe vaak het nog zou gaan gebeuren, dus we gingen dit goed vieren. We vertrokken vanuit het uitvak in feestelijke optocht naar Castellón, de dichtstbijzijnde stad, want Villarreal zelf heeft de omvang van Schagen en kent doordeweeks ook een vergelijkbaar nachtleven. Een aantal spelers had ook geen zin om braaf naar bed te gaan om met de handen boven de dekens te dromen van de volgende training. Van Galen, Jan Kromkamp, Tim de Cler en Barry Obdam verlieten per regenpijp het hotel, namen een taxi en bleven die nacht met wat vrienden en supporters in de disco tot ze toch echt weer een taxi terug moesten nemen om hun tassen op te halen en het vliegtuig niet te missen. Het was nog voor het uitbreken van de sociale media-epidemie, dus de bewegingen op en rond de dansvloer stonden niet meteen online, al zal de staf ook zonder insta en tiktok wel hebben gezien en geroken waar de spelers die nacht waren geweest.

In de businessclub ging het feest een jaar later door tot tegen de ochtend. Geen speler hoefde zich druk te maken om een vliegtuig of een boze trainer. Het was de afscheidswedstrijd geweest van twee clubiconen, maar ook het vaarwel voor het oude stadion dat een paar weken later tegen de vlakte zou gaan. Het was een nacht om zo lang mogelijk uit te rekken en alles moest op.

In mijn diepst doorvoelde herinnering aan De Hout, waar ik twintig jaar thuis was, speelt Van Galen ook een hoofdrol. Een maand na de kwartfinale tegen Villarreal stonden we, dankzij een 1-1 in de return, in de halve finale tegen Sporting Clube de Portugal. De eerste wedstrijd verloren we in Lissabon met 2-1. Thuis volgende een krankzinnig spektakel dat we in de 109e minuut leken te winnen dankzij de 3-1 van Kew Jaliens. Nooit eerder of later beleefde ik zo’n vreugde-explosie als na dat doelpunt, dertien minuten later gevolgd door een harde stomp in m’n maag, toen Manuel Garcia in de slotseconde van de tweede helft van de verlenging een corner door de benen van Kenneth Perez frummelde: 3-2. We hadden even in de finale gestaan totdat het noodlot uithaalde en toen hadden we niets meer. (Uitdoelpunten telden bij gelijkspel toen nog dubbel, waardoor Sporting door was.) Leeg en verslagen schuifelden we naar de uitgang.

In de stromende regen zag niemand onze tranen. Maar hoe hard het ook goot, het huilen van Barry van Galen was zo intens en schaamteloos, daar kon geen wolkbreuk tegenop. Zelden dwaalde iemand zo verloren over een veld, schokschouderend van verdriet. Als ik terugdenk aan De Hout, denk ik aan die ene wedstrijd. Denk ik aan die ene wedstrijd, dan denk ik aan de tranen van Van Galen.

(Om mijn hellegang compleet te maken moest ik die avond terug naar huis in Amsterdam, in een trein met honderden feestende Portugezen. De intercity deed die avond zo’n 17 uur over de 40 kilometer.)

Je bent er op zo’n moment doodziek van, maar het is de prijs die je moet betalen om echt van voetbal te kunnen genieten. Zonder dit soort nederlagen heeft winst niets te betekenen. Ik kijk niet naar sport omdat ik technische perfectie wil zien of bij een winnaar wil horen. Ik kijk sport voor het drama. Dat betekent niet dat ik mensen of clubs liever zie falen dan slagen, het betekent dat ik iemand wil zien strijden die iets te verliezen heeft. Sommige spelers lopen na een nederlaag het veld af, zuchten een keer en zeggen voor de camera dat het jammer was, maar dat ze nu weer vooruit moeten kijken. Barry van Galen speelde alsof hij altijd alles te verliezen had. Daarom kon je als supporter van hem houden. Het kon hem allemaal net zoveel schelen als jou, en misschien nog wel ietsje meer.

Seizoen 2004-2005 eindigde dus in pijn, maar het was het mooiste jaar dat ik als AZ’er meemaakte. Vooral de Europese wedstrijden, na die lange droogte, staan als monumenten in het geheugen. De campagne begon in Saloniki bij PAOK, de nummer drie van Griekenland. De club was een paar weken eerder voor straf teruggezet vanuit de Champions League naar de UEFA Cup omdat de voorzitter tijdens een voorronde met een pistool in z’n broekband het veld op was gelopen om de scheidsrechter eens goed de waarheid te vertellen. De onvrede over de straf en een machtsstrijd in de club zorgde tijdens de wedstrijd tegen ons voor onderlinge schermutselingen op de hoofdtribune. De harde kern van Gate 4 brak ondertussen tientallen stoeltjes los en gooide ze op een hoop die vervolgens in de fik werd gestoken. Een enorme zwarte zuil van rook steeg op vanuit het stadion. Terwijl de brandweer, gedekt door militaire politie met schilden en een pantservoertuig, vanaf de sintelbaan het vuur op de tribune probeerde te blussen, wonnen wij met 2-3. We juichten in een brandend stadion en konden ons geluk niet op.

Het was pas de eerste wedstrijd van een lang en schitterend seizoen. Adriaanse gaf het team vleugels en betoverde de aanhang met z’n aanvalslust. De Europese thuiswedstrijden voor 8.000 man tegen clubs als Auxerre en Glasgow Rangers waren luidruchtige feesten, ook omdat alles voor ons nog nieuw was. Ik zag in oktober 2025 Go Ahead Eagles de eerste Europese overwinning ooit behalen tegen Aston Villa in een uitzinnig Adelaarshorst, die schitterende lookalike van De Hout. Ik wist precies wat ze daar voelden en genoot met ze mee, ook al stonden ze daar omdat ze AZ hadden verslagen in de Bekerfinale en wij daardoor verdoemd waren tot een seizoen in de Conference League, het Europese toernooi voor clubs met een ontwikkelingsachterstand.

De eerste officiële wedstrijd in het nieuwe AZ-stadion in het openingsweekend van 2006-2007 was tegen NAC Breda en werd door ons met 8-1 gewonnen. Veel beter hadden we het stadion niet kunnen inluiden. We zijn komende zomer twintig jaar verder en maakten ook hier onvergetelijke momenten mee. We zagen Dembélé, Ari en El Hamdaoui uitblinken, versloegen clubs als Sevilla, Newcastle, Valencia, AS Roma en Galatasaray. Ik denk aan de kampioenswedstrijd in 2009 thuis tegen Vitesse, die in de 84e minuut dankzij een goal van Büttner toch geen kampioenswedstrijd bleek te zijn. Een wedstrijd tegen FC Twente bij 12 graden onder nul, waarbij het bier in je beker bevroor. De overwinning op Ajax in het tijdelijk onoverdekte stadion was een unieke belevenis. De solo van Kees Smit tegen Fenerbahce! En wie weet komt er ooit weer zo’n magisch jaar als we twintig jaar terug beleefden.

Ik mis De Hout niet. We vermaken ons prima in ons nieuwe huis, alleen nu met zo’n 10.000 mensen meer dan toen. We gaan al twee decennia lang vrijwel ieder seizoen Europa in. Vroeger rook je in De Hout overal vergane glorie, inmiddels ruikt AZ al jaren naar de toekomst. De ene na de andere nieuwe lichting uit de eigen opleiding breekt door. Waar ik nu vooral op hoop is dat daar ooit een type-Barry van Galen tussen zit, een onvoorspelbaar genie dat ook af en toe z’n tranen laat lopen.